Meermaals per jaar van huis om te reizen, lachend in de kroeg staan en dat verbandje om mijn arm is van die keer dat ik me brandde aan de tosti-ijzer. “Een vrouw in de bloei van haar leven”. Zo zou menig mens mij begin dit jaar omschrijven. Niet wetende dat ik op mijn dertiende mijn eerste zelfmoordpoging deed, op mijn vijftiende uit huis werd geplaatst omdat de situatie ondragelijk was en zes jaar later sterk gesedeerd in een kliniek lig. Maar die lach, die verborg de boel alsof hij daar voor gemaakt was. Misschien was dat de reden dat therapieën vaak tegen hun einde aan liepen wanneer ik wederom een terugval kreeg. Mag ik het überhaupt een terugval noemen als het destructieve gevoel eigenlijk continue aanwezig is geweest, maar ik het de ene keer beter wist te verbloemen dan de andere?

Terwijl de psycholoog een opsomming maakt van de instabiele factoren in mijn leven kijk ik naar de wonden op mijn onderarm. Af en toe knik ik maar eigenlijk ben ik er met mijn gedachten niet echt bij. Wanneer hij vraagt waar ik aan denk voel ik de tranen in mijn ogen opkomen. Die verdomde emoties is iets waar ik geen controle over krijg en tegelijkertijd eigenlijk ook niets voelen, ik word er gek van. Alleen maar denken aan mogelijke manieren om een einde te maken aan dat stemmetje in mijn hoofd. “Wil je echt dood, of wil je dit leven niet meer?” vraagt hij terwijl hij me doordringend aan kijkt. Maar die lijn is zo dun dat ik er geen antwoord op kan geven. Vorige week dacht ik dat ik er écht niet meer wou zijn tot ik wakker werd in het ziekenhuis met tig slangen naar mijn lichaam. Die overdosis, ik was blij dat deze zijn werk niet had gedaan. Vandaag de dag is dat gevoel echter ver te zoeken en morgen kan dit weer verschillen van vandaag. Ik slaak een diepe zucht. “Ik weet het ook allemaal niet meer, doc.”

De enige progressie die ik de afgelopen zes jaar gemaakt lijk te hebben is mijn verhaal vertellen. Ik ben eerlijk tegenover mijn behandelaren, familie en de geringe vriendschappen die ik nog heb. Zelfs tegen wildvreemden. Vragen als “Alles goed?” wimpelde ik normaal gesproken af met een snelle “Ja” waarna ik glimlachte. Nu kom ik nog net niet bij iemand op schoot zitten. Best hilarisch soms om iemands non-verbale reactie te zien wanneer ik aankondig dat ik continue denk dat ik mezelf kapot moet maken. De rest voelt als een neerwaartse spiraal. Alsof ik de denkbeeldige GGZ-patiëntentumor van de altijd vrolijke en vooral prestatiegerichte maatschappij ben. Dé psychiatrische patiënt.

“We moeten toch écht nieuw behandelplan opstellen” zegt de vriendelijke maar nog onbekende man. Vorige week is mijn eigen behandelaar er mee gestopt. Stiekem voelde ik me een beetje in de steek gelaten. Hoe bedenkt hij het ander werk te gaan zoeken terwijl ik me zo slecht voel? Terwijl zijn gezicht vervangen word door die van een ander blijft mijn status hetzelfde. Ellendig. Moe. Misschien zelfs een beetje hopeloos na 6 jaar vechten. En terwijl iedereen om mij heen roept dat betere tijden komen denk ik; wat weten zij daar nou van? In mijn hoofd kijken kunnen ze niet. Maar tegelijkertijd hoop ik dat ze gelijk hebben. Die lach, die word misschien ooit oprecht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s